Eerste kaders van de Centrale Raad voor de behandeling van een jeugdhulpvraag

Eerste kaders van de Centrale Raad voor de behandeling van een jeugdhulpvraag

 

Met de komst van de Jeugdwet in 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp. Sindsdien bestaat er veel onvrede over de wijze waarop gemeenten jeugdhulpvragen behandelen. Gemeenten zouden niet goed in staat zijn te beoordelen of, en zo ja, welke jeugdhulp een jeugdige nodig heeft. Bovendien zouden gemeenten jeugdhulpvragen te snel afwijzen met een beroep op ‘de eigen kracht’ van de jeugdige en het gezin. Het was dan ook wachten op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over de vraag hoe gemeenten met jeugdhulpvragen moeten omgaan.

Deze uitspraak is inmiddels op 1 mei 2017 gewezen. De Centrale Raad van Beroep geeft gemeenten hierin handvatten om op een goede en zorgvuldige wijze op een jeugdhulpvraag te beslissen. Een uitgebreide analyse van deze uitspraak kunt u vinden in het artikel van Lieske de Jongh in de Gemeentestem van 17 augustus 2017 (Gst. 2017/121). Uiteraard verdient deze uitspraak ook aandacht op de Kennispagina. Hierna geven wij daarom een samenvatting van de belangrijkste punten uit de ‘1 mei-uitspraak’.

 

Waar ging het over?

Jeugdige X heeft psychische problemen en kreeg onder de ‘oude’ AWBZ zorg in de vorm van begeleiding. Begin 2015 verzoekt zij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland (hierna: het college) om voortzetting van deze begeleiding op grond van de Jeugdwet. Het college wijst de jeugdhulpvraag echter af. Volgens het college is de moeder namelijk in staat om de noodzakelijk begeleiding te geven. Het college baseert deze afwijzing op een gezinsplan van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). De zaak komt uiteindelijk in hoger beroep bij de Centrale Raad terecht. Jeugdige X stelt in dit hoger beroep dat het onderzoek van het CJG onzorgvuldig is uitgevoerd. Daarnaast is jeugdige X van mening dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de verzochte jeugdhulp door haar moeder kan worden verleend.

 

Het beoordelingskader van de Centrale Raad

De Centrale Raad gaat eerst uitbreid in op het doel en de strekking van de Jeugdwet. De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten. De gemeente moet daar waar een jeugdige of zijn ouders dit nodig hebben en zij er op eigen kracht niet uitkomen, een voorziening op het gebied van jeugdhulp treffen. Met deze voorziening kan de jeugdige dan in staat gesteld worden gesteld: gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijke te participeren.

Vervolgens gaat de Centrale Raad in op de vraag hoe de gemeente (het college) een jeugdhulpvraag moet behandelen. De Centrale Raad overweegt dat uit artikel 3:2 Awb volgt dat het college voldoende kennis moet vergaren over de relevante feiten en omstandigheden voordat zij een goed en zorgvuldig besluit over de jeugdhulp kan nemen. De Raad geeft hiervoor een beoordelingskader. Het college moet stapsgewijs:

  1. vaststellen wat de jeugdhulpvraag inhoudt;
  2. door een ter zake deskundige laten vaststellen of er ‘opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen’ aanwezig zijn; en
  3. door een ter zake deskundige laten vaststellen welke hulp naar aard en omvang nodig is. Pas als deze 3 stappen zijn doorlopen, komt het college eraan toe te beoordelen:
  4. of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en het gezin ontoereikend zijn.

Als jeugdhulp nodig blijkt en de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn, dan rust op het college de plicht de noodzakelijke hulp te verstrekken.

Concrete toepassing op de casus

De Centrale Raad past dit beoordelingskader vervolgens toe op de casus van jeugdige X. De Centrale Raad oordeelt dat het college van de gemeente Steenwijkerland onvoldoende duidelijk heeft gemaakt óf er een probleem aanwezig was bij jeugdige X, welk probleem dat was, en welke jeugdhulp dan naar aard en omvang zou moeten worden ingezet. Daarnaast is de Centrale Raad van oordeel dat het advies van het CJG niet berustte op de vereiste expertise. Het onderzoek van de gemeente voldoet daarmee dus niet aan de stappen 1 tot en met 3. De Centrale Raad acht het onderzoek van de gemeente daarom onzorgvuldig. Zij verklaart het beroep van jeugdige X dan ook gegrond. De Raad komt in deze zaak niet toe aan de vierde en laatste stap of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en het gezin ontoereikendheid zijn.

Tot slot

Met haar 1 mei-uitspraak heeft de Centrale Raad meer duidelijkheid gebracht over de stappen die een gemeente moet doorlopen om een jeugdhulpvraag om op een zorgvuldige wijze tot een jeugdhulpbesluit te komen. Doordat in de zaak van jeugdige X een door deskundige vastgestelde indicatie voor jeugdhulp ontbrak, heeft de Raad alleen een oordeel gegeven over de eerste 3 stappen van het ‘stappenplan’. Hierdoor kon de Centrale Raad helaas niet meer ingaan op de vraag die daarna een rol spelen.

Prangende vragen als de vraag wanneer de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend van een jeugdige en het gezin ontoereikend zijn en de vraag in welke gevallen een pgb moet worden verstrekt om jeugdhulp (bij de ouders) in te kopen, blijven dus vooralsnog onbeantwoord. Het wachten is op meer uitspraken door de Centrale Raad op deze (en andere) Jeugdwetonderwerpen.

Heeft u vragen over de wijze waarop op jeugdhulpvragen beslist moeten worden of heeft u andere vragen op het gebied van de Jeugdwet? Neem dan contact op met mr. dr. drs. Lieske de Jongh of mr. Marloes Hulshof. Wij helpen u graag verder.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen