Moet bedenkelijk procesgedrag worden beloond of bestraft?

Moet bedenkelijk procesgedrag worden beloond of bestraft?

Het is een blijvend punt van discussie: hoe om te gaan met ondoordacht, amateuristisch of zelfs actief trainerend procesgedrag dat een wederpartij onnodig op kosten jaagt en een al even onnodige (extra) druk legt op het gerechtelijk apparaat? Soms wordt dergelijk gedrag beloond, meestal vanuit een nogal principiële of juist opportunistische toepassing van bepaalde beginselen en uitgangspunten van burgerlijk procesrecht. Soms, echter, wordt incapabiliteit of subversiviteit ook genadeloos bestraft. Twee recente, sprekende voorbeelden van de ene en de andere benadering.

Beloning

In het eerste geval was hoger beroep ingesteld, maar geen memorie van grieven genomen. Appellant stond vervolgens ‘ambtshalve peremptoir’, wat in normaal Nederlands zoiets betekent als het zich geconfronteerd zien met een allerlaatste (verval)termijn om de betreffende proceshandeling te verrichten. Appellant nam op de bewuste roldatum echter niet de memorie van grieven, maar wierp een incident op (in dit geval een vordering tot schorsing van een in eerste aanleg uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad). Dit is een nogal eens voorkomende vertragingstactiek, die er primair toe dient om verder uitstel te verkrijgen. Soms liggen hier legitieme motieven aan ten grondslag, maar vaker gaat het enkel om het zo lang mogelijk uitstellen van het uiteindelijk onvermijdelijke: het (na een kansloos hoger beroep) definitief worden van een onwelgevallige uitspraak in eerste aanleg.

Een procespartij is met een dergelijke uitstelmanoeuvre echter slechts geholpen als op de incidentele vordering ‘eerst en vooraf’ moet worden beslist (artikel 209 Rv). Indien dat namelijk niet het geval is, dan is de proceshandeling in de hoofdzaak (in dit geval het nemen van een memorie van grieven) ten onrechte niet verricht, en zijn de kansen van de appellerende partij definitief verkeken (zie HR 2 maart 2012, NJ 2012/158).

Wanneer moet op een incidentele vordering nu ‘eerst en vooraf’ worden beslist? Indien ‘de aard van de zaak’ dit meebrengt (nogmaals artikel 209 Rv). Dit vrij ruim geformuleerde criterium biedt de rechter de ruimte om aan de hand van een belangenafweging en met een beroep op een goede procesorde incidenten af te serveren die enkel en alleen worden opgeworpen om extra tijd te winnen.

In de hier besproken casus oordeelde de rolraadsheer dat er geen noodzaak was om ‘eerst en vooraf’ op het incident te beslissen. In principe zou het doek hiermee voor appellant definitief moeten vallen. Niets is echter minder waar. De rolraadsheer redt appellant namelijk door in het door hem ingediende processtuk (dus de conclusie in het door hemzelf opgeworpen incident) een aantal grieven – en daarmee een memorie van grieven, lees: het in te dienen processtuk – te ontwaren. Voor de wederpartij, zo voegt de rolraadsheer er met opvallend gemak aan toe, moet dit ook allemaal duidelijk zijn geweest. Conclusie: er kan (inhoudelijk) worden voortgeproceerd.

Bestraffing

De tweede zaak kent een voor het elementaire rechtsgevoel bevredigender uitkomst. Hier was door appellant (in eerste aanleg gedaagde) ten overstaan van de kantonrechter een nogal warrig en vrijblijvend verweer gevoerd (van het type: ‘ik-schiet-met-hagel-en-wellicht-raak-ik-iets’), dat door de kantonrechter – mogelijk na met eigen ogen een met aard en inhoud van het verweer corresponderende algehele opstelling bij appellant te hebben geconstateerd – was afgeserveerd.

In hoger beroep helpt het hof appellant door (in het verlengde van een daartoe strekkende grief van appellant) te oordelen dat het verweer van appellant in eerste aanleg als een reconventionele vordering (een ‘tegenvordering’ tegen de vordering waartegen hij zich diende te verweren) had moeten worden opgevat. Het hof legitimeert dit oordeel door in algemene termen te benadrukken dat geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de wijze waarop een in persoon procederende partij (zoals appellant in dit geval) een reconventionele vordering indient.

Ook hier had de wederpartij volgens het hof bovendien een reconventionele vordering in het bewuste verweer (moeten) kunnen ontwaren. Het hof kent bij dit oordeel kennelijk (en opvallend genoeg) weinig gewicht toe aan het feit dat de conclusie van antwoord slechts terloops en in een bijzin vermeldde dat de eisende partij ten onrechte een bedrag van appellant had ontvangen als sleutelgeld dat hij ‘terug wilde vorderen’. Ook vindt het hof het klaarblijkelijk van weinig belang dat de gemachtigde die appellant tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg bijstond (mogelijk of waarschijnlijk een jurist), tijdens die mondelinge behandeling letterlijk de woorden sprak: ‘nu ik begrijp dat [de reconventionele vordering] thans niet meer kan worden ingesteld’.

Gelukkig laat het hof het hier echter niet bij, maar stoot door naar een inhoudelijke beoordeling van de (beweerdelijke) reconventionele vordering. ‘Ook een in persoon procederende partij dient zijn tegenvordering (…) deugdelijk te onderbouwen’, aldus het hof in algemene termen. En hieraan, zo vervolgt het hof, zijn algemene uitgangspunt toespitsend op de aan zijn oordeel onderworpen zaak, heeft het ‘in eerste aanleg in elk geval geschort’.

Beslissend – gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep – is echter dat de in eerste aanleg ontbrekende onderbouwing naar het oordeel van het hof ook in hoger beroep niet is geleverd. De vordering is namelijk ‘wederom onvoldoende’ onderbouwd. Op dit punt aangeland kan zelfs het (zich voor het overige uiterst welwillend getoond hebbende) hof appellant niet meer helpen door vergoelijkend te wijzen op zijn gebrek aan kennis of ervaring. In hoger beroep werd hij namelijk (verplicht) bijgestaan door een advocaat. De volgens het hof op zich gegronde grief kan dus uiteindelijk niet tot vernietiging van het vonnis leiden. En hiermee is alsnog recht geschied.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen