Hersteltarief GGz 2017: (g)een oplossing!?

Hersteltarief GGz 2017: (g)een oplossing!?

De NZa heeft de productprijzen gespecialiseerde GGz in de tariefbeschikkingen 2014 en 2015 niet op juiste wijze bepaald, zo oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 14 juli jl. De NZa had de tarieven niet op het door haar uitgevoerde kostprijsonderzoek mogen baseren omdat de NZa (onder andere) achteraf de berekeningsmethode had aangepast. Het gevolg hiervan is dat de tarieven te laag zijn vastgesteld. Het CBb heeft de tariefbeschikkingen daarom vernietigd. In reactie hierop heeft de NZa toegezegd de uitspraak ter harte te zullen nemen en zich op aanpassing van de tarieven te beraden.

Inmiddels is duidelijk op welke manier de NZa dit wil gaan doen, namelijk door het in rekening brengen van een hersteltarief 2014 en 2015 als onderdeel van het tarief 2017 (!) mogelijk te maken. Dit houdt in dat een zorgaanbieder die in 2017 gespecialiseerde GGz levert voor deze zorg niet alleen het tarief voor 2017 in rekening mag brengen als hij een bepaalde prestatie levert, maar dat hij daarbovenop ook het hersteltarief 2014 en/of 2015 kan declareren. De vraag die echter rijst is of dít nu de manier is om de schade die is ontstaan doordat de tarieven 2014/2015 te laag waren vastgesteld, daadwerkelijk te compenseren. Een hersteltarief kán volgens de NZa namelijk in rekening gebracht worden – er bestaat dus géén verplichting – én aan deze mogelijkheid zijn verschillende voorwaarden verbonden!

De belangrijkste voorwaarde is dat het hersteltarief alléén in rekening gebracht mag worden als de zorgaanbieder hiervoor een overeenkomst heeft gesloten met een zorgverzekeraar. Daarnaast moet de zorgaanbieder die het hersteltarief in rekening wil brengen dezelfde zorg(prestatie) in 2014 respectievelijk 2015 hebben geleverd. Een duidelijk verband tussen het aantal prestaties dat in 2014 en/of 2015 is geleverd is echter géén voorwaarde. Het is dus zonder meer mogelijk ‘te veel’ in rekening te brengen ten opzichte van het tarief dat een zorgaanbieder in 2014/2015 is misgelopen. De kans is echter groter dat een zorgaanbieder ‘te weinig’ compensatie ontvangt ten opzichte van hetgeen hij is misgelopen in 2014/2015. Dit risico geldt niet alleen als een zorgverzekeraar ervoor kiest af te spreken dat een zorgaanbieder slechts een (beperkt) deel van het hersteltarief in rekening mag brengen, maar zeker als de zorgverzekeraar in het geheel géén afspraken met een zorgaanbieder wil maken, zoals het geval zal zijn bij ongecontracteerde zorgaanbieders. Tot slot is het in sommige gevallen niet mogelijk afspraken met zorgverzekeraars te maken: jeugd-ggz wordt inmiddels immers niet meer op grond van de tariefbeschikking van de NZa bekostigd, terwijl dat in 2014 nog wel het geval was!

De keuze van de NZa voor een hersteltarief biedt met andere woorden geen soelaas voor zorgaanbieders die geen overeenkomst met een zorgverzekeraar kunnen afsluiten om het in rekening brengen van een hersteltarief mogelijk te maken. De vraag is of de NZa met de keuze voor een hersteltarief daardoor voldoende tegemoetkomt aan het oordeel van het CBb dat inhoudt dat het tarief 2014/2015 geen stand kan houden, omdat het op onjuiste wijze is vastgesteld. Een situatie die feitelijk echter ontstaat bij zorgaanbieders als zij niet de mogelijkheid krijgen een hersteltarief in rekening te brengen.

Gelukkig is het nog niet te laat om tegen deze keuze van de NZa op te komen: de bezwaartermijn is nog niet verlopen. Tot 21 november is het nog mogelijk (pro forma) bezwaar in te dienen tegen dit besluit om de NZa zo te dwingen haar keuze voor een hersteltarief op basis van een overeenkomst met een zorgverzekeraar aan te vechten.

Neem voor nadere vragen of bijstand bij het indienen van bezwaar contact op met Lieske de Jongh.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen