Huisartsenpost mag waarnemer weren

Huisartsenpost mag waarnemer weren

Op 28 oktober 2016 heeft de Hoge Raad zich voor het eerst gebogen over de positie van huisartsenposten en huisartsen op de post.

Wat was er gebeurd?

Een huisarts had zich als waarnemer op een post gemeld, nadat hij door het Centraal Tuchtcollege Gezondheidszorg voorwaardelijk als huisarts was geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en de verplichting zich onder psychotherapeutische behandeling te stellen. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege die de huisarts volledig had geschrapt uit het register  vond het Centraal Tuchtcollege dat de huisarts nog een tweede kans moest krijgen. De Huisartsenpost wilde zijn patiënten echter niet blootstellen aan het risico dat deze huisarts opnieuw in de fout zou gaan en accepteerde hem daarom niet als waarnemer.

Daarop startte de huisarts een kort geding waarin hij vorderde om weer te worden toegelaten. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de huisarts echter af, waarna hij in beroep ging. Het hof meende dat de huisartsenpost een ‘unieke positie’ op het gebied van waarneming van huisartsenzorg in de regio had. Ook vond het de belangen van de huisarts die werkzaam en woonachtig in dit gebied zou zij, bij toelating tot de betreffende faciliteit als essentieel voor het behoud van zijn registratie als huisarts voldoende aannemelijk. De stelling van de huisartsenpost dat de huisarts in heel Nederland zou kunnen waarnemen mocht niet baten. Gelet hierop was de huisartsenpost volgens het hof niet volledig vrij in de keuze in verband met de registratie van huisartsen, maar diende zij de belangen van deze huisarts in haar afweging ter zake te betrekken. Bij die afweging mocht de verantwoordelijkheid van de huisartsenpost in de zin van de Kwaliteitswet (nu: de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, Wkkgz) zwaar wegen, maar juist in dat verband is aan het oordeel van het Centraal tuchtcollege volgens het hof groot gewicht toe te kennen.

Huisartsenposten mogen zelf bepalen wie zij als waarnemer toelaten

De Hoge Raad maakt korte metten met deze uitspraak van het hof. De Hoge Raad vindt dat huisartsenposten als uitgangspunt juist een vrije beoordelingsruimte hebben bij de vraag wie zij als waarnemer willen registreren. Met name stond het deze huisartsenpost vrij om de belangen van de aan zijn zorg toevertrouwde patiënten de doorslag te geven bij zijn beslissing om de huisarts al dan niet als waarnemer te accepteren. Daarom mocht de huisartsenpost op grond van zijn verantwoordelijkheid uit de Kwaliteitswet (en nu dus de Wet Wkkgz) ook zelf bepalen welke betekenis de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege had voor zijn bereidheid om de huisarts weer als waarnemer toe te laten. Het enkele feit dat het Centraal Tuchtcollege vond dat de huisarts nog een kans moest krijgen als arts werkzaam te zijn, betekende niet dat de huisartsenpost hem die kans moest bieden.

Huisartsenposten hebben voor waarnemers geen unieke positie

Deze huisartsenpost had in de regio bovendien helemaal geen unieke positie. Volgens de Hoge Raad had het hof verder ten onrechte niet meegenomen dat de huisarts in beginsel in heel Nederland kon waarnemen en noemt daarom het oordeel dat de huisartsenpost onvoldoende had onderbouwd dat de huisarts voor de mogelijkheid tot waarneming niet gebonden is aan het werkgebied van de huisartsenpost onbegrijpelijk.

Nog twee principiële oordelen

Informele klachtuitingen mogen meewegen bij beoordeling geschiktheid

Deze uitspraak is nog vanwege twee andere oordelen van de Hoge Raad interessant. Allereerst oordeelt de Hoge Raad dat het voor de vraag hoe deze huisarts functioneerde aankomt op alle relevante informatie. Daartoe horen in beginsel ook informele klachtuitingen. Deze huisartsenpost had zijn standpunt over de huisarts mede gebaseerd op informele klachtuitingen op website ‘Zorgkaart Nederland’. Volgens de Hoge Raad mocht deze huisartsenpost dit in dit geval dus ook doen.

Voor praktijkhouders mag andere afweging gelden dan voor waarnemers

In de tweede plaats vond het hof dat de huisartsenpost geen onderscheid mocht maken tussen de waarnemer-huisarts (zonder eigen praktijk) en een aangesloten huisarts (met een eigen praktijk) die een vergelijkbare tuchtrechtelijke veroordeling had gehad. De aangesloten huisarts mocht wel op de huisartsenpost werken. De Hoge Raad oordeelt nu dat de huisartsenpost ten aanzien van de vraag welk risico zij bereid is te nemen, wel degelijk onderscheid mag maken tussen leden/praktijkhouders en derden die geen praktijkhouder zijn en die geen lid zijn van de huisartsenpost.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?

Selectieprocedure voor waarnemers mogelijk

Huisartsenposten mogen zelf bepalen wie zij als waarnemer aannemen. Dat betekent dat zij een actief beleid mogen voeren om de kwaliteit op de huisartsenpost te waarborgen, bijvoorbeeld door een aannamebeleid te voeren. Daarbij kan worden gedacht aan een selectieprocedure en/of het inwinnen van informatie bij vorige plaatsen waar een huisarts als waarnemer heeft gewerkt. Dit laatste moet een huisartsenpost trouwens ook op grond van de vergewisplicht uit de Wkkgz.

Onderscheid tussen waarnemers en huisarts-praktijkhouders mag

Volgens de Hoge Raad mag een huisartsenpost waarnemers en aangesloten huisartsen met een eigen praktijk anders behandelen bij de vraag welk risico de huisartsenpost bereid is te nemen. Dit betekent dat een huisartsenpost om van een waarnemer af te komen die in zijn ogen disfunctioneert ook niet dezelfde zware procedure hoeft te volgen als gebruikelijk is voor huisarts-praktijkhouders. Het verdient aanbeveling om het Protocol Vermeend disfunctionerende huisarts op de huisartsenpost hierop aan te passen.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen