Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt dat LSP is toegestaan

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt dat LSP is toegestaan

Op 8 maart 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in de procedure die de Vereniging voor Praktijkhoudende huisartsen (VPH) samen met enkele patiënten had aangespannen tegen de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ). Inzet van deze procedure was de vraag in hoeverre de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt geschonden door de uitwisselingen van patiënteninformatie die via het Landelijk Schakelpunt (LSP) plaatsvinden. Vrijwel alle huisartsen wisselen via het LSP waarneemdossiers uit met de huisartsenpost ten behoeve van de acute huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren (ANW-uren). Daarnaast wordt het LSP gebruikt voor uitwisseling van het medicatiedossier van de patiënt. Hiertoe hebben naast (ziekenhuis)apothekers en huisartsen ook medisch specialisten en spoedeisendehulpartsen toegang.

Inzet procedure

Het standpunt van VPH en patiënten was dat het gebruik van het LSP in strijd is met de Wbp en met de geheimhoudingsplicht zoals vastgelegd in onder meer de Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), omdat patiënten in het LSP niet kunnen aangeven welke informatie voor een specifiek doel mag worden verstrekt. Evenmin zouden patiënten kunnen aangeven aan welke specifieke persoon die informatie mag worden verstrekt. VPH en patiënten vorderen daarom staking van het LSP.

Uitdrukkelijke toestemming

Het hof stelt vast dat patiënten uitdrukkelijke toestemming moeten geven alvorens uitwisseling via het LSP kan plaatsvinden. Daardoor acht het hof, in navolging van de Autoriteit Persoonsgegevens (voorheen: het College bescherming persoonsgegevens) verwerkingen die via het LSP plaatsvinden in beginsel niet in strijd met de geheimhoudingsplicht die zorgverleners hebben. VPH c.s. hadden aangevoerd dat de verwerking ondanks uitdrukkelijke toestemming van patiënten toch in strijd zou zijn met de geheimhoudingsplicht van zorgverleners zoals vastgelegd in de artikel 9 lid 4 Wbp en artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (de Wgbo). Volgens het hof is de geheimhoudingsplicht er vooral in het belang van de patiënt.  Een vrijwillige, uitdrukkelijke en gerichte  (dat wil zeggen voldoende specifieke) toestemming van de patiënt is daarom voldoende om die plicht te doorbreken. Daar komt bij dat patiënten desgewenst delen van informatie kunnen laten afschermen, zodat deze niet gedeeld wordt met andere zorgverleners.

Verbeterpunten

Op dit moment kunnen patiënten nog onvoldoende gespecificeerde toestemming geven voor uitwisseling van patiënteninformatie via het LSP. Volgens het hof moet  VZVZ ernaar streven om patiënten die aan het LSP willen deelnemen zoveel mogelijk beslissingsvrijheid te geven, zodat zij  zoveel mogelijk regie hebben over het systeem. VZVZ heeft tijdens de procedure laten weten dat het de bedoeling is dat die mogelijkheid vanaf eind 2016 wordt aangeboden. Het hof is verder van mening dat de informatiebrochure van VZVZ voor patiënten op een aantal onderdelen nog  tekortschiet. Het hof vindt echter niet dat daardoor  VZVZ jegens de eisers onrechtmatig zou hebben gehandeld.

Tot slot gaat het hof nog in op de beveiliging van het LSP. Het overweegt dat uit artikel 13 van de Wbp niet blijkt dat VZVZ moet streven naar de hoogst mogelijke beveiliging. De wettelijke norm van artikel 13 wordt nader ingekleurd door de zogeheten NEN-normen, in dit geval NEN7512:2015. VZVZ voldoet volgens het hof aan die norm.

Betekenis uitspraak

In deze uitspraak bevestigt het hof grotendeels de eerdere uitspraak van de rechtbank van 23 juli 2014. Net als de rechtbank loopt het hof de facto vooruit op het Wetsvoorstel aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg,. Hierin wordt geregeld dat uitdrukkelijke toestemming van de patiënt nodig is voor het gebruik van elektronische uitwisselingssystemen van medische persoonsgegevens die mogelijk maken dat een zorgaanbieder gegevens kan ‘ophalen’ bij een andere zorgaanbieder. Volgens dit wetsvoorstel moet de patiënt gespecificeerde toestemming kunnen geven welke (categorieën van) zorgaanbieders  patiëntengegevens mogen ophalen en welke patiëntengegevens daarbij dan beschikbaar zijn. De patiënt moet op grond van het voorstel bovendien toestemming geven aan de zorgaanbieder die daadwerkelijk gegevens wil raadplegen. De bepaling die dit regelt wil de minister overigens niet in werking laten treden. Het hof legitimeert dit voornemen van de minister in ieder geval voor wat betreft de uitwisseling van patiënteninformatie tussen huisarts en huisartsenpost. Dezeuitwisseling vindt volgens het hof plaats in het kader van waarneming (op grond van artikel 7:457 lid 2 BW is hiervoor geen toestemming van de patiënt nodig). Verder loopt het hof ook vooruit op het feit dat de NEN-normen na inwerkingtreding van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en het bijbehorende Besluit tot wettelijke regelingen zullen worden verheven en daarmee algemeen verbindend zullen zijn. Het hof erkent in deze uitspraak immers min of meer dat deze NEN –norm de standaard is waaraan moet worden getoetst. Daarmee staat het, voor zover dit al niet het geval was, voor nu ook al vast dat uitwisselingsystemen van patiënteninformatie aan deze norm moeten voldoen.

Met zijn uitspraak legitimeert het hof in ieder geval opnieuw de uitwisseling van elektronische patiënteninformatie via het LSP. Daarmee kunnen huisartsen, huisartsenposten, apothekers en andere zorgverleners die van dit systeem gebruik maken, opgelucht ademhalen. Ook voor patiënten is dit goed nieuws, omdat elektronische uitwisselingssystemen zoals het LSP mogelijk maken dat patiënteninformatie op een veilige manier wordt uitgewisseld. De toegankelijkheid van die informatie kan de kwaliteit van zorg sterk verbeteren, terwijl de patiënt doordat hij gespecificeerde toestemming kan geven, zelf invloed houdt op de informatie die uitgewisseld wordt.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen