Niet meer vrijheid voor hulp bij zelfdoding

Niet meer vrijheid voor hulp bij zelfdoding

 

Al enige tijd woedt in Nederland een discussie over de vraag of de juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding verruimd moeten worden. In juli 2014 hebben de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Veiligheid en Justitie een commissie ingesteld om hier onderzoek naar te doen. Dit is de commissie ‘Voltooid leven’. In januari 2016 heeft de commissie advies uitgebracht.

Hoe zit het in Nederland met hulp bij zelfdoding?

In Nederland is levensbeëindiging op verzoek en ook hulp bij zelfdoding in beginsel strafbaar. Dat staat in artikel 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht. Er is één uitzondering op de hoofdregel van strafbaarheid. Die uitzondering doet zich voor wanneer een arts het leven van de patiënt beëindigt of daarbij behulpzaam is én aan een aantal zorgvuldigheidseisen is voldaan. Er is dan sprake van een zogenaamde strafuitsluitingsgrond. De zorgvuldigheidseisen staan in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl). Het gaat om de volgende cumulatieve eisen:

  • de arts moet de overtuiging hebben gekregen dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;
  • de arts moet de overtuiging hebben gekregen dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt (het lijden moet een overwegend medische grondslag hebben);
  • de arts moet de patiënt hebben voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevindt en zijn vooruitzichten;
  • de arts moet met de patiënt tot de overtuiging zijn gekomen dat er voor de situatie waarin hij zich bevindt geen andere redelijke oplossing is;
  • de arts moet ten minste één andere, onafhankelijke arts hebben geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en die schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
  • de arts moet de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitvoeren.
  • Na het overlijden van de patiënt moet de arts mededeling van een niet-natuurlijke dood doet aan de gemeentelijke lijkschouwer (artikel 7 Wet op de lijkbezorging). Daarnaast moet de arts een verslag opstellen waarin hij beredeneerd aangeeft dat aan de hiervoor opgesomde zorgvuldigheidseisen is voldaan. Dit verslag wordt vervolgens getoetst door een zogenaamde Regionale Toetsingscommissies voor levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Na het overlijden van de patiënt moet de arts mededeling van een niet-natuurlijke dood doet aan de gemeentelijke lijkschouwer (artikel 7 Wet op de lijkbezorging). Daarnaast moet de arts een verslag opstellen waarin hij beredeneerd aangeeft dat aan de hiervoor opgesomde zorgvuldigheidseisen is voldaan. Dit verslag wordt vervolgens getoetst door een zogenaamde Regionale Toetsingscommissies voor levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Wat vindt de commissie?

De onderzoekscommissie concludeert dat er in veel gevallen van een ‘voltooid leven’ sprake is van een opeenstapeling van klachten die samen kwalificeren als ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’ in de zin van artikel 2 Wtl. Volgens de commissie is er slechts een beperkte groep mensen met een actieve doodswens bij wie deze wens niet gerelateerd is aan medische problematiek. Volgens de commissie biedt de Wtl dan ook voldoende ruimte om het merendeel van de gevallen te ondervangen. De commissie ziet geen aanleiding om de bestaande juridische mogelijkheden te verruimen.

 

Welke aanbevelingen tot de commissie?

Wel doet de commissie een aantal aanbevelingen:

  • Vanuit het oogpunt van veiligheid, deskundigheid en toetsbaarheid is het wenselijk dat alleen artsen, en niet bijvoorbeeld ook familieleden, hulp bij zelfdoding mogen verlenen;
  • Als er sprake is ouderdomsklachten én verlieservaringen op andere terreinen (psychisch, cognitief, psychosociaal en/of existentieel) die ten grondslag liggen aan de actieve doodswens, dan is het wenselijk dat niet slechts één onafhankelijk arts, maar ook een tweede consulent wordt geraadpleegd. Dit hoeft volgens de commissie niet per se een arts te zijn;
  • Er moet meer aandacht zijn voor voorlichting over de mogelijkheden die de Wtl biedt;
  • Ten slotte adviseert de commissie dat voorkomen moet worden dat mensen hun leven voltooid achten. In dat kader is het van belang om meer aandacht te hebben voor eenzaamheid, de voorbereiding en acceptatie van ouderdom en de zelfredzaamheid.

Wat betekent dit concreet?

Er komt vooralsnog dus niet meer vrijheid voor hulp bij zelfdoding. Doorslaggevend blijft of aan de voorwaarden uit artikel 2 Wtl is voldaan en dat er een arts bij de doding betrokken moet zijn. Over het oordeel van de commissie kan uiteraard verschillend worden gedacht. Het is goed dat dit gevoelige onderwerp weer eens op de maatschappelijke agenda is geplaatst.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen