Medisch tuchtrecht en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting

Medisch tuchtrecht en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting

Wanneer wordt de vrijheid van meningsuiting van een BIG-geregistreerd hulpverlener begrensd door de normen van het medisch tuchtrecht? Het Regionaal Tuchtcollege Zwolle heeft over deze vraag onlangs (op 19 februari 2016) een interessante uitspraak gedaan, die (in ieder geval voorlopig) de kaders van het tuchtrechtelijk oorbare nader omlijnt.

Feiten
Verweerder is hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin, een met openbare middelen gefinancierd tijdschrift dat zich tot doel stelt om aan voorschrijvers, leveranciers en gebruikers onafhankelijke en objectieve informatie over geneesmiddelen te verschaffen.

Het tijdschrift werkt onder andere met het format van zogenaamde ‘prikbordartikelen’. Dit zijn artikelen waarin wordt ingegaan op de actualiteit. Dergelijke artikelen kennen een kortere voorbereidingstijd en een meer voorlopig karakter dan ‘reguliere’ wetenschappelijke artikelen, maar worden wel door tientallen referenten meegelezen en becommentarieerd.

Op enig moment publiceert verweerder een kritisch ‘prikbordartikel’ over de rol van de farmaceutische industrie en sommige psychiaters bij het voorschrijven van een ADHD-medicijn (methylfenidaat) aan volwassenen. Volgens verweerder zijn er, kort samengevat, ernstige twijfels over de (balans tussen) werkzaamheid en bijwerkingen van het middel. In het artikel zijn passages te vinden als: ‘Kennelijk kunnen psychiaters geneesmiddelen toepassen zonder dat zij daarbij verantwoording hoeven af te leggen’ en: ‘Sommige psychiaters lijken (…) al te gemakkelijk een uitzondering te maken’ op het uitgangspunt ‘dat men allereerst geen schade toebrengt aan de patiënt.’

Kort na publicatie van het bewuste ‘prikbordartikel’ is verweerder te zien in een uitzending van het tv-programma Brandpunt. In deze uitzending zegt verweerder onder meer (zoals door het tuchtcollege zakelijk weergegeven) dat hij niet zal zeggen dat het onderzoek in de psychiatrie een ramp is, dat er een behoorlijke marketing is voor medicijnen in de psychiatrie, dat bepaalde medicatie niet met de term veilig kunnen worden omschreven, dat fabrikanten vrij gemakkelijk de weg vinden naar een groep psychiaters die medicatie voor hen in de markt willen zetten, dat er mensen zijn die de psychiatrie het paradijs voor de farmaceutische industrie hebben genoemd, dat mensen met belangenverstrengeling, zeker een voorzitter, niet in een richtlijncommissie moeten zitten en dat daaraan een halt moet worden toegeroepen.

Beoordeling door het tuchtcollege
Klager, een psychiater, stelt dat verweerder zich negatief en onjuist heeft uitgelaten over psychiaters en de behandeling van ADHD en dat dit onrust heeft veroorzaakt bij zijn patiënten en collega’s.

Het tuchtcollege – dat de ontvankelijkheidshorde (via de tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 onder b BIG) opvallend gemakkelijk neemt – stelt allereerst vast dat de invalshoeken van zowel klager (de bescherming van het belang van zijn beroepsgroep en van volwassen patiënten met ADHD) als verweerder (het uitoefenen van kritiek op de wetenschappelijke onderbouwing van het voorschrijven van het betreffende medicijn aan volwassenen met ADHD) als ‘legitiem’ moeten worden gezien. Vanuit beide invalshoeken moet, zo vervolgt het tuchtcollege, een ‘debat’ kunnen plaatsvinden waar ook een optreden in de media bij kan passen, ‘ook als dit eerder onrust zal veroorzaken bij patiënten’ dan een wetenschappelijk artikel. ‘In dit debat’, zo vervolgt het tuchtcollege, ‘behoort aan voor- en tegenstanders een ruime marge van spreken te worden gegund, waarbij niet past dat zij hun woorden telkens op een goudschaaltje zouden moeten wegen omdat de tuchtrechter steeds over hun schouder meekijkt.’

Hoewel enkele in het gewraakte artikel gekozen bewoordingen volgens de tuchtrechter ‘niet zijn onderbouwd en weinig wetenschappelijk overkomen,’ is verweerder naar het oordeel van het regionaal tuchtcollege ‘niet over de grens van de vrijheid van meningsuiting heen’ gegaan die hem in een debat over een dergelijk onderwerp toekomt. Hierbij speelt blijkens de motivering van het oordeel van het tuchtcollege niet alleen een rol dat in het gewraakte artikel ook ‘objectieve informatie’ is te vinden over het besproken geneesmiddel, maar ook dat het Geneesmiddelenbulletin het mede tot zijn taak rekent ‘om een discussie op gang te brengen over controversiële onderwerpen’.

Ook in het interview in Brandpunt is verweerder naar het oordeel van de tuchtrechter ‘niet over de schreef gegaan’. Opvallend genoeg wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd, hoewel dit in het licht van de gedane uitspraken – en het meer dan graduele verschil tussen die uitspraken en de uitspraken die in het Geneesmiddelenbulletin zijn te vinden – wel voor de hand had gelegen.
Hoe dan ook: de klacht wordt afgewezen en opinievormende BIG-geregistreerden weten weer eventjes waar de grens in ieder geval nog niet is bereikt.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen