Goodwill bij exploitatie van een in de steek gelaten praktijk?

Goodwill bij exploitatie van een in de steek gelaten praktijk?

Is een ziekenhuis goodwill verschuldigd als zij een praktijk gaat exploiteren die door haar ‘voorganger’ (in dit geval een maatschap) in de steek is gelaten? Over deze vraag heeft het Scheidsgerecht Gezondheidszorg zich onlangs gebogen (arbitraal vonnis van 3 november 2015, zaaknummer 15/11). Het antwoord is niet verbazingwekkend, maar wel vermeldenswaard.

Relevante feiten
Voor de praktijk in kwestie (een IC-praktijk) is een aantal jaren geleden door een maatschap anesthesiologie een bedrag ter hoogte van ruim € 150.000,– betaald aan het ziekenhuis. Als gevolg hiervan is de maatschap ‘eigenaar’ van de aan de betreffende praktijk verbonden goodwill geworden.
Vrij kort daarna onstaat – naar later zal blijken: voortdurende – onenigheid tussen het ziekenhuis en de maatschap over de precieze invulling van de door de maatschap in de IC-praktijk te verrichten werkzaamheden.
Uiteindelijk lijkt het dispuut (definitief) te kunnen worden beëindigd als principe-overeenstemming wordt bereikt over de oprichting van een zogenaamde Multi-Disciplinaire Intensive Care (MDIC). Het ziekenhuis zou de IC-praktijk van de maatschap overnemen en een nader te bepalen vergoeding betalen aan de maatschap. De maatschap op haar beurt zou, tegen vergoeding door het ziekenhuis, medisch specialisten aan de MDIC ter beschikking stellen.
Wat schetst echter de verbazing? In een periode van minder dan een maand zeggen niet minder dan vier (!) leden van de maatschap hun (toen nog) toelatingsovereenkomsten aan het ziekenhuis op. Vervolgens gaat het hard: de overblijvende maten delen het ziekenhuis mee dat zij de IC-praktijk geheel zullen neerleggen. Het ziekenhuis trekt de inmiddels ‘verlaten’ praktijk aan zich en neemt concrete maatregelen om de continuïteit van de praktijk te borgen.
De maatschap wendt zich tot het Scheidsgerecht en vordert vergoeding voor het verlies van goodwill dat aan de IC-praktijk is verbonden.

Oordeel Scheidsgerecht  
Bij ontstentenis van contractuele afspraken is de kernvraag voor het Scheidsgerecht of er sprake is van ‘andere omstandigheden’, gelegen in de sfeer van de redelijkheid en billijkheid, die een vergoedingsplicht voor het ziekenhuis zouden kunnen constitueren.
Conform een bestendige lijn in de jurisprudentie van het arbitraal college wordt deze vraag geplaatst in het bredere kader van de vraag of het ziekenhuis jegens de (leden van de) maatschap ‘onvoldoende zorgvuldig’ heeft gehandeld of de (leden van de) maatschap ‘onevenredig nadeel’ toe heeft gebracht als gevolg van het niet-aanbieden van een vergoeding. Slechts in dergelijke gevallen zal (normaal gesproken) namelijk sprake kunnen zijn van een uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting voor een ziekenhuis om een medisch specialist bij wege van schadevergoeding een bedrag te betalen ter compensatie van het verlies van de mogelijkheid om goodwill te bedingen.
Voor de toepassing van dit jurisprudentiële kader op het onderhavige geval is voor het Scheidsgerecht allereerst van (groot) belang dat, anders dan de maatschap had gesteld, van een reguliere ‘overdracht’ van de IC-praktijk überhaupt geen sprake was. De praktijk was immers door haar voerders in de steek gelaten en daarmee – althans, zo zou men de implicatie met enige fantasie kunnen interpreteren – tot een soort ‘res nullius’ gemaakt, een niemand (meer) toebehorende en door iedereen (en in dit geval: het ziekenhuis) vrij toe te eigenen zaak.
Bovendien, zo vervolgt het arbitraal college, iedere mogelijk voor het ziekenhuis uit de bereikte principe-overeenstemming voortvloeiende verplichting om de IC-praktijk tegen betaling van goodwill van de maatschap over te nemen is in ieder geval komen te vervallen toen de (leden van de) maatschap van hun kant hun medewerking aan een definitieve regeling hebben doen vervallen. De ‘opzeggende’ maten hebben met hun (plotselinge) opzegging van de toelatingsovereenkomsten naar het oordeel van het Scheidsgerecht namelijk een vrije keuze gemaakt die, ondanks de slechte financiële omstandigheden waar het ziekenhuis in verkeerde, uitdrukkelijk geen vergoedingsplicht van het ziekenhuis ter zake van gederfde goodwill met zich kan brengen. Van de ‘verlatende’ maten, op hun beurt, had verder mogen worden verwacht dat zij in constructief overleg met het ziekenhuis zouden zijn getreden om voor de ontstane situatie een oplossing te zoeken.
Als een soort ‘obiter dictum’ overweegt het Scheidsgerecht nog dat het überhaupt de vraag is of de maatschap onder normale omstandigheden de goodwill van de praktijk te gelde had kunnen maken. De ‘oude’ situatie waarin opvolgers individueel werden toegelaten tot een ziekenhuis onder voorwaarde dat ze goodwill betaalden aan hun voorgangers, behoort sinds 1 januari 2015 immers tot het verleden. En het (indertijd nog) op te richten Medisch Specialistisch Bedrijf MSB), waarmee de maten in de ‘nieuwe’ situatie over eventuele goodwill in overleg hadden moeten treden, had reeds laten weten de IC-praktijk ‘onder geen beding’ over te willen nemen. Het Scheidsgerecht beschouwt dit echter – in nuchtere bewoordingen – als het ‘(ondernemers)risico’ van de maatschap.
De vordering van de maatschap wordt op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, – dus – afgewezen.

Les
De moraal van dit verhaal? Goodwillaanspraken kunnen niet alleen worden verloren, maar ook worden verlaten.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen