Orthopedisch chirurg niet gebonden aan non-concurrentiebeding

Orthopedisch chirurg niet gebonden aan non-concurrentiebeding

De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo heeft in een vonnis in kort geding op 27 april jl. geoordeeld dat een door een maatschap van orthopedisch chirurgen gevorderd verbod tot nakoming van een non-concurrentiebeding moet worden afgewezen. De maatschap vorderde dat het een orthopedisch chirurg die uit de maatschap was getreden zou worden verboden om bij een ander ziekenhuis in de directe omgeving te gaan werken. Het non-concurrentiebeding dat was overeengekomen stond er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden niet aan in de weg dat de orthopedisch chirurg in de directe omgeving gaat werken.

De feiten
In deze zaak ging het om een orthopedisch chirurg die op 1 januari 2011 was toegetreden tot een maatschap van orthopedisch chirurgen in het MST in Enschede. De orthopedisch chirurg had een non-concurrentiebeding ondertekend op grond waarvan het hem was verboden om na opzegging van de maatschap tijdens de kennismakingsperiode van één jaar gedurende vijf jaar praktijk als orthopedisch chirurg uit te oefenen of indirect bij een dergelijke praktijkuitoefe-ning betrokken te zijn in een gebied dat begrensd wordt door een cirkel met een straal van 20 kilometer met het MST in Enschede als middelpunt. De orthopedisch chirurg had de maatschap tijdens de kennismakingsperiode opgezegd en hij was gaan werken bij OCON dat de orthopedische zorg binnen de Ziekenhuis Groep Twente (ZGT) uitvoert. OCON en de ZGT hebben vestigingen in Almelo en Hengelo. De orthopedisch chirurg was gevestigd in de locatie Almelo van de ZGT op ruim 28 kilometer afstand van het MST. In Almelo deed hij al zijn poliklinieken en spreekuren. Omdat de orthopedische chirurgie in de ZGT gelateraliseerd is kon hij zijn operaties echter alleen uitvoeren in Hengelo dat binnen het door het non-concurrentiebeding bestreken gebied van 20 kilometer ligt.

De standpunten van partijen
De maatschap MST vorderde in kort geding dat het de orthopedisch chirurg zou worden verboden om zijn werkzaamheden binnen OCON en de ZGT onmiddellijk te staken op straffe van een dwangsom. De orthopedisch chirurg stelde zich op het standpunt dat het non-concurrentiebeding in strijd is met het kartelverbod in artikel 6 van de Mededingingswet. Verder was hij van mening dat hij het non-concurrentiebeding terecht had vernietigd op grond van dwaling of misbruik van omstandigheden. Hij voerde ook het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de maatschap hem aan het non-concurrentiebeding wilde houden.

De beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter de orthopedisch chirurg niet zal verbieden om bij OCON in dienst te treden. De vaststaande feiten en omstandigheden zijn voor dat oordeel doorslaggevend.

De voorzieningenrechter vindt het in de eerste plaats van belang dat de orthopedisch chirurg slechts een deel van zijn werkzaamheden (de operaties) en dan ook nog het deel waarin hij de minste directe contacten met zijn patiënten heeft verricht in een gebied dat onder de reikwijdte van het non-concurrentiebeding valt. Bovendien lijkt de maatschap ook niet of nauwelijks rechtstreekse concurrentie van de orthopedisch chirurg te duchten te hebben. De orthopedisch chirurg legt zich namelijk toe op wervelkolomchirurgie, terwijl hij bij de maatschap geen patiënten heeft gezien die daarvoor in aanmerking kwamen.

Voor zover er al concurrentie te verwachten zou zijn als gevolg van de overstap van de orthopedisch chirurg naar OCON heeft hij volgens de voorzieningenrechter een heldere toezegging gedaan. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de orthopedisch chirurg of OCON de uitvoering van die toezegging zou gaan frustreren.

De voorzieningenrechter vindt ook van belang dat de orthopedisch chirurg er belang bij heeft om zijn ambities te kunnen realiseren om zich op de wervelkolomchirurgie toe te leggen. Al tijdens de sollicitatieprocedure heeft de orthopedisch chirurg aan de maatschap kenbaar gemaakt dat hij zich in de wervelkolomchirurgie wilde specialiseren. Daarvoor was van groot belang dat hij in het MST met een neurochirurg samen zou kunnen werken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de maatschap de orthopedisch chirurg tijdens zijn sollicitatieprocedure heeft voorgehouden dat samenwerking met de neurochirurg op het gebied van de wervelkolomchirurgie mogelijk was, terwijl de maatschap wist of had behoren te weten dat de vooruitzichten op die samenwerking bepaald niet rooskleurig waren.

Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat alleszins aannemelijk is dat de gerechtvaardigde door de maatschap gewekte verwachtingen die de orthopedisch chirurg bij zijn intreden in de maatschap had zijn beschaamd. Nu de maatschap de orthopedisch chirurg niet de mogelijkheden heeft kunnen bieden waarop hij mocht rekenen kan zij het hem volgens de voorzieningenrechter niet kwalijk nemen dat hij zijn heil elders heeft gezocht. Het is daarom onredelijk dat de maatschap de orthopedisch chirurg aan het non-concurrentiebeding wil houden.

Geen van al deze argumenten is volgens de voorzieningenrechter op zichzelf van doorslaggevende betekenis maar de combinatie van al die argumenten en de samenhang tussen die argumenten brengen de voorzieningenrechter tot de verwachting dat de bodemrechter de overstap van de orthopedisch chirurg naar OCON niet met een beroep op het non-concurrentiebeding zal beletten of beboeten. Daarom wordt het in kort geding gevorderde verbod afgewezen en wordt de maatschap in de kosten van het kort geding veroordeeld.

Commentaar
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is geweest van dwaling. Vervolgens wijst de voorzieningenrechter de vordering om het non-concurrentiebeding na te leven af omdat het beroep op het beding naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Iedere tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel is, zoals artikel 6:248 lid 2 BW bepaalt, niet van toepassing voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De beslissing van de voorzieningenrechter is op dit artikel gebaseerd. Eén van de argumenten die de voorzieningenrechter aanvoert om zijn oordeel te onderbouwen is dat de maatschap tijdens de sollicitatieprocedure geen juiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de mogelijkheden tot samenwerking met de neurochirurg. Daarom vindt de voorzieningenrechter dat alleszins aannemelijk is dat de gerechtvaardigde door de maatschap gewekte verwachtingen die de orthopedisch chirurg had zijn beschaamd. Deze omstandigheden zouden echter eerder een beroep op dwaling rechtvaardigen. Als een partij onjuiste informatie geeft en daardoor bij de wederpartij een onjuiste voorstelling van zaken veroorzaakt of belangrijke informatie die hij had moeten mededelen verzwijgt, kan een overeenkomst op grond van artikel 6:228 BW worden vernietigd indien aannemelijk is dat de partij die dwaalde niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gecontracteerd als hij wel een juiste voorstelling van zaken had gehad. Het is opmerkelijk dat de voorzieningenrechter enerzijds oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overeenkomst op grond van dwaling terecht is vernietigd maar vervolgens (onder andere) op grond van argumenten die juist een beroep op dwaling kunnen rechtvaardigen tot het oordeel komt dat een beroep op het non-concurrentiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Uitspraak nalezen of printen? Klik hier.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
Naar boven scrollen